|
|
|
|
|
|
17 juli 2007
De Democratische Legitimiteit van het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid
De
Europese Unie (EU) is een belangrijk blok in de wereld. Met een kwart
van het totale wereld Bruto Nationaal Product en 450 miljoen inwoners
moet de EU ook op wereldniveau een rol van betekenis spelen. Op
economisch en monetair terrein is de EU reeds een speler van
wereldformaat. Op politiek en militair terrein liep de EU echter
achter. De conflicten in voormalig Joegoslavië in de jaren negentig van
de vorige eeuw toonde aan dat de Unie zelfs geen orde op zaken kon
stellen in haar eigen achtertuin. De Verenigde Staten waren nodig om de
conflicten op te lossen en de machteloosheid van de EU toonde aan dat
zij nog niet klaar was voor een rol op het wereldtoneel in ‘hard core
politics’.
In de 21e eeuw ziet het politieke en
veiligheidslandschap van de EU er echter significant anders uit. Sinds
het akkoord van Saint-Malo in december 1998, waar Frankrijk en
Groot-Brittannië het voornemen hebben geuit om binnen de EU te gaan
samenwerken op defensiegebied, is er veel gebeurd. De Europese Raad van
Keulen nam in juni 1999 het Frans-Britse akkoord over en dit
resulteerde in het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid (EVDB). De
totstandkoming van het EVDB wordt ook wel ‘de militaire revolutie’
binnen de EU genoemd. De ooit exclusief civiele Raad van Ministers en
de staf van het Raadssecretariaat worden nu vergezeld door militairen
die in uniform naar hun werk komen. Het zich snel ontwikkelende EVDB is
een duidelijk kenmerk van de nieuwe rol die de EU speelt op het
wereldtoneel. Op de Europese Top van Laeken in 2001, verklaarde de EU
het EVDB operationeel. Inmiddels zijn er 18 EVDB-missies van start
gegaan, waarvan 14 van civiele aard. Met missies in Atjeh, Bosnië,
Congo, de Kaukasus en recentelijk de gestarte politiemissie in
Afghanistan en straks ook in Kosovo, telt de EU inmiddels ook op
veiligheidsgebied mee.
De snelle groei van het EVDB heeft echter
ook een keerzijde; de democratische legitimiteit lijkt bij de snelle
ontwikkeling achter te blijven. Fundamenteel is de aloude vraag: ‘who
guards the guards’ and hoe dat vervolgens is georganiseerd. Door de
Europeanisering van het Defensiebeleid is er naast de nationale
controle op defensiebeleid een nieuwe uitdaging bijgekomen: de Europese
dimensie. Robert Dahl, één van de belangrijkste nog levende
politicologen, heeft in zijn boek On Democracy enkele uitdagingen voor
de democratie beschreven. Eén daarvan is de toenemende
internationalisering: “From a democratic perspective the challenge
posed by internationalization is to make sure that the costs to
democracy are fully taken into account when decisions are shifted to
international levels, and to strengthen the means for holding political
and bureaucratic elites accountable for their decisions”.
Begrippen
als ‘democratisch tekort’ en democratische legitimiteit worden in
studies over de EU met grote regelmaat gehanteerd. Vaak is er ook een
duidelijk normatief element in de zorg die de auteurs uitspreken over
het democratisch tekort. Maar deze zorg wordt niet door iedereen
gedeeld en een aantal intergouvernementalisten erkent het democratisch
tekort van Europees beleid niet als een probleem. Andrew Moravscik
noemt bijvoorbeeld de zorg om het democratisch tekort misplaatst. De
hoogleraar van Princeton beschouwt de EU als een intergouvernmentele
organisatie, dat weliswaar bevoegdheden heeft overgedragen, maar de
fundamentele bron van de democratische legitimiteit van de EU ligt
volgens hem nog altijd bij de natiestaten. Moravscik staat in de
traditie van wetenschappers als Milward en net als hij, verdedigt
Moravscik de stelling dat de EU juist de positie van de natiestaten
versterkt. En daar de regeringen de vertegenwoordigers zijn van de
natiestaat is er geen sprake van een democratisch tekort. Majone
beweert verder dat de EU niet heeft te lijden onder een democratisch
tekort, maar onder een credibiliteitscrisis. Naar de mening van Majone
zou de EU gewoonweg haar resultaten moeten verbeteren zodat de
bezorgdheid om het democratisch tekort vanzelf zal verdwijnen.
Veel
studies naar een (verondersteld) democratisch tekort en democratische
legitimiteit gaan over onderwerpen die vaak supranationaal, oftewel in
de eerste pijler, zijn. Het EVDB valt echter binnen de Tweede Pijler en
is intergouvernementeel. Daarom zouden de theorieën van de
intergouvernmentalisten als Moravscik en Majone goed toepasbaar kunnen
zijn. Of misschien toch niet? In dit stuk zal ik proberen aan te tonen
dat er behoorlijk wat valt af te dingen op de claims over democratische
legitimiteit van de ‘intergouvernementalisten’. De centrale vraag is in
hoeverre het EVDB democratisch legitiem is. Eerst zal ik het begrip
democratische legitimiteit uitdiepen. Vervolgens zal ik aangeven waarom
ik een democratisch legitiem EVDB belangrijk acht. Daarna zal ik de
centrale vraag in dit stuk -in hoeverre is het EVDB democratisch
legitiem – beantwoorden. Hierbij zal ik gebruik maken van het begrip
‘dubbel democratisch tekort’ van Born en Hänggi, twee medewerkers van
de Zwitserse denktank DCAF die zich bezighoudt met de democratische
controle op de strijdkrachten. Volgens Born en Hänggi worden nationale
parlementen verzwakt door de internationalisering van het
veiligheidsbeleid en dit gebrek aan democratische controle wordt
vervolgens niet gecompenseerd op het internationale niveau. Binnen de
context van het EVDB gaat het dubbel democratisch tekort dus over het
gebrek aan democratische controle op nationaal en Europees niveau. Uit
de argumenten en voorbeelden die gegeven worden zal ik vervolgens een
conclusie trekken over de democratische legitimiteit van het EVDB.
Democratische legitimiteit
Volgens
de intergouvernementalisten is de uitvoerende macht gekozen, allicht
indirect, maar toch democratisch gelegitimeerd, en is er daarom
voldoende democratische legitimiteit voor de besluitvorming binnen de
EU. Moravscik stelt dat er geen gebrek aan democratie binnen Europa is
“omdat een verantwoordelijke besluitvorming voldoende wordt verzekerd
door het gezamenlijk toezicht van democratisch gekozen nationale
regeringen en rechtstreeks gekozen Europese parlementariërs, in
combinatie met een systeem van ‘checks and balances’ waarop de
bedenkers van de Amerikaanse Grondwet trots zouden zijn”. Moravscik’s
visie op democratische legitimiteit kan betwist worden, onder meer
omdat Moravscik de nationale regeringen centraal stelt en niet de
nationale parlementen. Volgens Klaus Dieter Wolf “has led the focus on
international institutions [ook de EU, db] to the neglect of the dark
side of intergovernmental cooperation that has always been present —
the democratic deficit that results from the internationalization of
governance”. Moravscik besteedt geen aandacht aan het verlies van
invloed van nationale parlementen door Europese samenwerking. De
perceptie van het democratisch tekort is dus afhankelijk van de
definiëring en het gebruik van het begrip democratische legitimiteit.
Fritz
Scharpf, de Duitse hoogleraar van het Max Planck instituut in Keulen,
onderscheidt twee vormen van legitimiteit: inputgeoriënteerde
legitimiteit en outputgeoriënteerde legitimiteit. The
inputgeoriënteerde stroming benadrukt ‘government by the people’,
terwijl de outputgeoriënteerde stroming de nadruk legt op ‘government
for the people’. Input legitimiteit betekent dat de politieke keuzes de
wil van het volk, dat één collectieve identiteit bezit, weergeven.
Output legitimiteit wordt gerealiseerd wanneer politieke besluiten de
‘common welfare’ bevorderen. Scharpf beschouwt ‘Le Contrat Social’ van
Rousseau als de basis van input legitimiteit en de ‘Federalist Papers’
van Hamilton, Madison en Jay als de oorsprong van output legitimiteit.
Scharpf benadrukt dat beide concepten complementair zijn en naast
elkaar bestaan in democratische staten. Wanneer hij de beide concepten
toepast op de EU trekt hij de conclusie dat de EU enkel output
legitimiteit heeft: “there is no conceptual difficulty in defining the
European Union as the appropriate constituency for the collective
resolution of certain classes of common problems”. Binnen de EU is er
echter geen sprake van input legitimiteit omdat er binnen de EU geen
sprake is van een “pre-existing sense of collective identity”. Er is
volgens Scharpf tevens geen Europa-breed beleidsdiscourse en er is een
tekort aan een institutionele infrastructuur die de Europese
ambtsdragers verantwoordelijk kan stellen.
Wolfgang Wagner
hanteert andere definities van input en output legitimiteit dan
Scharpf. Wagner heeft democratische legitimiteit toegepast op het EVDB.
Wagner onderscheidt vier types van democratische legitimiteit binnen
het EVDB. Wagner gebruikt dezelfde concepten als Scharpf – input
legitimiteit en output legitimiteit en daarmee ook ‘government by the
people’ en ‘government for the people’-, maar hij geeft een andere
interpretatie aan deze concepten binnen de setting van het EVDB.
Wagner’s
eerste vorm van democratische legitimiteit is gebaseerd op het idee dat
legitimiteit wordt verzekerd door effectief bestuur: ‘government for
the people’ of ‘output legitimiteit’. Legitimiteit bestaat dan bij de
gratie van een effectieve en efficiënte Europeanisering van
defensiebeleid. Wagner heeft deze vorm van output legitimiteit
geoperationaliseerd middels de resultaten van onderzoek naar publieke
opinie.
De tweede vorm van legitmiteit die Wagner onderscheidt
is ‘intergovernmental input legitimacy’ ofwel ‘government by the
people’. Nationale parlementen worden in deze benadering beschouwd als
het centrale punt van democratie. Nationale parlementen die gekozen
worden via verkiezingen zijn het belangrijkste mechanisme voor de
participatie van het volk voor ingewikkelde veiligheidsvraagstukken..
Born en Urscheler stellen dan ook dat “no area or institution of the
government should be exempted from parliamentary oversight and this
includes all organisations of the security sector”. Input legitimiteit
is volgens Wagner voorzien wanneer nationale parlementen in staat zijn
geweest om te participeren in het EVDB-beleidsproces.
Input
legitimiteit is tevens de basis voor Wagner’s derde variant,
‘supranational input legitimacy’, maar de aanhangers van deze vorm van
democratische legitimiteit beschouwen het Europees Parlement (EP) als
de voornaamste bron van legitimiteit. Het EP zou het gat van de
legitimiteit die op nationaal niveau verloren is gegaan door de
Europese integratie moeten invullen. Onderzoek, uitgevoerd door Mittag
en Wessels, geeft aan dat het EP het hoogste vertrouwen geniet van de
Europese burgers van alle Europese instellingen. Zij benadrukken dat
het EP de enige direct gekozen element binnen Europa is en daarom dus
ook geschikt om het tekort aan democratische legitimiteit op Europees
niveau in te vullen. De bevoegdheden van het EP aangaande het EVDB zijn
echter praktisch te verwaarlozen. Het Verdrag van Nice verplicht het
voorzitterschap om het EP te consulteren “on the main aspect and basic
choices of the CFSP” en “to ensure that the views of the EP are duly
taken into consideration”, maar instemmingsrecht heeft het EP
bijvoorbeeld niet. Het Verdrag van Nice noemt het EVDB niet eens
expliciet. In het Grondwettelijk Verdrag of wat daar van over is, wordt
voor het eerst melding gemaakt van het EVDB. De macht van het EP op dit
terrein zal echter niet significant toenemen. Het EP zal worden
geconsulteerd en geïnformeerd over de belangrijkste aspecten, het mag
vragen stellen aan de Raad en de nieuwe Hoge Vertegenwoordiger van de
Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en het mag
aanbevelingen doen aan dezen en er zullen debatten zijn over de
voortgang van implementatie van het EVDB.
Wagner’s vierde vorm
van legitimiteit is gebaseerd op het respect voor het naleven van het
internationale recht.Vanuit deze visie is er enkel legitimiteit voor
het EVDB en haar operaties wanneer deze geschieden onder VN-mandaat.
Eén van de redenen voor de EU om haar capaciteiten, en dan met name de
Battlegroups op te richten, was om de VN de snelle reactie capaciteiten
te geven die het momenteel mist. De EU heeft echter expliciet laten
weten dat een VN-mandaat wel wenselijk is, maar geen absoluut vereiste
is om een missie te starten.
Hoe kunnen we het verschil
verklaren tussen het verschillende gebruik van dezelfde concepten –
input en output legitimacy- door de twee auteurs? Wagner
operationaliseert ‘intergovernmental input-legitimacy’ met de
betrokkenheid van nationale parlementen. Nationale parlementen zijn de
vertegenwoordigers van het volk en vanuit dit perspectief wordt beleid
als democratisch legitiem beschouwd wanneer de bevolking de
mogelijkheid heeft om via verkiezingen betrokken te zijn bij
beslissingen. Scharpf daarentegen, plaatst input legitimiteit in de
traditie van Rousseau en in deze stroming is parlementaire
vertegenwoordig niet geschikt voor de vertolking van de wil van het
volk.
Wagner’s beginpunt is het EVDB, een beleidsterrein binnen
de Tweede Pijler, terwijl Scharpf met name focust op beleidsterreinen
binnen de eerst pijler en de invloed hiervan op nationaal beleid.
Volgens Dahl gaat in de huidige tijd van globalisering om het dilemma
“between effectiveness and international governance on the one hand,
and citizen participation and democratic control on the other hand”. In
andere woorden: tussen output legitimiteit en input legitimiteit.
Hoewel Scharpf en Wagner hetzelfde concept verschillende definiëren en
hanteren, zijn ze het er wel over eens dat (nationale) parlementen een
belangrijke rol spelen in de democratische legitimiteit van de EU.
Daarom focus ik in dit stuk op de rol van het Europees parlement en de
nationale parlementen binnen het EVDB.
Waarom is democratische legitimiteit belangrijk?
De
centrale vraag in dit stuk heeft een duidelijk normatieve assumptie:
het EVDB zou democratische legitiem moeten zijn. Wolfgang Wagner geeft
drie argumenten voor een democratisch legitiem EVDB.
Het eerste
argument van Wagner is gebaseerd op het werk van Ian Manners. Manners
stelt dat de EU een normatieve macht is en dat de EU de capaciteit
heeft “to lead by virtuous example”. De EU, zoals verwoordt in de
Europese Veiligheidsstrategie, heeft als doelstelling om de democratie
in de wereld te bevorderen. Deze doelstelling zal de komende jaren een
belangrijke plek innemen op de externe agenda van de EU. Wanneer het
EVDB, één van de belangrijke externe beleidsterreinen democratische
legitimiteit ontbeert, zal dit de externe agenda kunnen ondermijnen.
Het
tweede argument van Wagner is gebaseerd op de theorie van de
democratische vrede dat geïnspireerd is door het werk van Immanuel
Kant. Kant publiceerde in 1795 ‘Zum Ewigen Frieden’ waarin hij stelt
dat een groeiend aantal republieken met de op Montesquieu gebaseerde
scheiding der machten, zal leiden tot vrede in de internationale
betrekkingen. De moderne variant van deze theorie heeft als centrale
leidraad dat democratieën niet in oorlog met elkaar geraken. Onderzoek
ondersteunt deze stelling. De verklaring achter de moderne variant van
de theorie van de democratische vrede stelt dat moderne instituties en
met name het parlement, structurele beperkingen aan de executieve macht
oplegt om zomaar een oorlog te beginnen. Daarom zijn sterke parlementen
belangrijk voor het EVDB.
De derde reden van Wagner voor een
legitiem EVDB is dat een democratisch tekort van het EVDB en haar
missies er voor kan zorgen dat de legitimiteit van de EU als geheel
geschaad kan worden. Als de input legitimiteit van de uitzending van
EU-troepen verzwakt wordt door een gebrek aan parlementair debat en
parlementaire input dan wordt een missie voor het grootste deel
afhankelijk van de output, kortom het resultaat. Output legitimiteit is
namelijk gebaseerd op efficiency en effectiviteit. De consequentie van
het enkel vertrouwen op output legitimiteit is gevaarlijk – stel dat er
binnenkort tientallen bodybags met Europese soldaten terugkomen van een
moeilijke missie in Afrika. Dat kan de publieke steun voor het EVDB en
zelfs voor de gehele EU serieus ondermijnen. Is het EVDB democratisch legitiem?
Het
mogelijk ‘dubbele democratische tekort’ binnen het EVDB moet bekeken
worden op twee niveaus: het Europese en het nationale niveau. Er zullen
drie argumentatielijnen worden gebruikt waarbij de input legitimiteit,
dus de parlementen centraal staan.
Allereerst wordt er gekeken
op het Europese niveau van het EVDB. Het EVDB is niet enkel Tweede
Pijlerbeleid, er is tevens Eerste Pijlerbeleid wat het EVDB
ondersteunt. Dit is de uitdaging van een dubbele Europese uitvoerende
macht en toezicht wordt hierdoor bemoeilijkt. Daarnaast is er het gat
tussen het Europese en het nationale niveau. De nationale parlementen
hebben beperkte mogelijkheden om aan informatie over het EVDB te komen,
onder meer door de beslotenheid van de Raadsvergaderingen. Het Europees
Parlement heeft meer mogelijkheden om aan informatie te komen, maar
ontbeert het juist weer aan bevoegdheden om het beleid te beïnvloeden.
Tot slot hebben de nationale parlementen moeite om het EVDB en missies
te controleren door hun beperkte bevoegdheden en de
interafhankelijkheid van landen bij het uitzenden van de multinationale
Battlegroups. Dit leidt tot het ‘dubbele democratisch tekort’.
De uitdaging van een dubbele Europese uitvoerende macht
Het
EVDB is voor een aanzienlijk deel intergouvernementeel. Het grootste
deel van de groei van de EVDB-activiteiten zit de laatste tijd echter
in de civiele missies: in de laatste drie jaar zijn er 14 nieuwe
civiele EU missies ontplooid. De civiele missies vallen onder de
verantwoordelijkheid van de Tweede Pijler, maar bevatten ook een
significant aantal elementen van de Eerste Pijler. De moderne eisen van
effectief (preventief) conflictmanagement bevatten een breed scala aan
instrumenten, zoals diplomatieke contacten, handelsmaatregelen,
ontwikkelingshulp en andere civiele beleidsmiddelen. De Commissie kan
bijvoorbeeld activiteiten in de veiligheidssector steunen in
crisisgebieden, maar het mag bijvoorbeeld weer geen militairen betalen
die politietaken uitvoeren, daar dit verdragstechnisch enkel mogelijk
is binnen de Tweede Pijler.
Deze inter-pijler constructies zijn
moeilijk te overzien voor zowel nationale parlementen als voor het
Europees parlement. Het Europees parlement is de eerst aangewezene om
de Commissie te controleren en de nationale parlementen moeten hun
eigen overheden controleren. Maar door de dubbele uitvoerende macht
bestaat er het risico wat Catriona Gourlay het ‘vallen tussen de
pijlers’ noemt, waardoor het toezicht moeilijk wordt en de
democratische legitimiteit dus in het geding komt.
Het gat tussen het nationale en het Europese niveau
Op
het eerste gezicht is het EVDB intergouvernementeel en is dus de
parlementaire controle van de nationale parlementen voldoende.
Nationale parlementen hebben echter moeite om het EVDB goed te kunnen
controleren, omdat zij niet beschikken over voldoende informatie.
Parlementariërs zijn qua informatie afhankelijk van hun eigen
regeringen, maar verscheidene wetenschappers benadrukken dat
parlementen vaak slecht worden geïnformeerd over besluiten van de Raad.
De enige andere mogelijkheid tot het vergaren van informatie is eigen
individuele contacten met andere actoren die in het proces betrokken
zijn. Doordat de Raadsvergaderingen over het EVDB besloten zijn hebben
de parlementariërs geen zicht op het meningsvormende proces. Deze
Europeanisering van het nationale veiligheidsbeleid is een duidelijk
voorbeeld van ‘Brusselsisation’. Steeds meer beleid wordt in Brussel
vormgegeven en ondanks dat het intergouvernementele beleidsterreinen
betreft, is de controle hierop door nationale parlementen moeilijk.
Karl Kaiser heeft dit problem reeds meer dan 30 jaar geleden opgemerkt:
“the intermeshing of decision making across national frontiers and the
growing multinationalisation of formerly domestic issues are inherently
incompatible with the traditional framework of democratic control”.
In
tegenstelling tot de nationale parlementen heeft het Europees Parlement
heeft wel meer mogelijkheden om aan informatie te komen. De Europese
Raad en de Europese Commissie zijn verplicht het parlement te
informeren over de ontwikkelingen binnen het GBVB en het EVDB. Echte
macht daarentegen heeft het EP niet. Zo hoeft de Raad bijvoorbeeld niet
te antwoorden op vragen of aanbevelingen van het EP. Europarlementariër
Armin Laschet drukt het als volgt uit: “Parliamentary control on ESDP,
and on CFSP in general, makes the Council see red”.
Zwakke nationale parlementen
De
bevoegdheden van nationale parlementen met betrekking tot het EVDB
verschillen per land. Wanneer de bevoegdheden van nationale parlementen
over het inzetten van troepen voor EVDB-missies wordt bekeken, komt een
aantal fundamentele verschillen aan het licht. Alleen in Duitsland en
Denemarken is formele instemming van het parlement vereist voor het
inzetten van troepen. In Nederland heeft het parlement momenteel de
‘materiele bevoegdheid’ tot instemming. Volgens artikel 100 van de
Grondwet hoeft de regering enkel het parlement te informeren, maar in
Nederland zal de regering nooit troepen uitzenden zonder parlementaire
instemming. In vergelijking met andere landen heeft het Nederlandse in
de praktijk relatief veel macht en invloed aangaande militaire en
civiele missies. Vorig jaar heeft een parlementaire commissie onder
leiding van Hans van Baalen voorgesteld om het parlement
instemmingsrecht te verlenen. Hiervoor zou de Grondwet veranderd moeten
worden. Mocht dit gebeuren dan zou de positie van het Nederlandse
parlement formeel versterkt worden en dus ook de democratische
legitimiteit van EVDB-missies.
Het meest recente project op het
gebied van het EVDB zijn de EU Battlegroups (BG). Deze multinationale
gevechtseenheden van 1500 man moeten binnen 5 tot 15 dagen over ter
wereld ingezet kunnen worden binnen het gehele geweldsspectrum. De Raad
– waar wel elk land een veto heeft – neemt in Brussel een beslissing of
EU actie gewenst is en de multinationale Battlegroups kunnen vervolgens
worden ingezet. Deze Battlegroups zijn vaak een vorm van bi- of
multinationale samenwerking (11 van de 15 Battlegroups zijn
multinationaal). De landen die deelnemen aan een BG moeten vervolgens
hun nationale procedure volgen om daadwerkelijk tot uitzending van de
BG over te kunnen gaan. Dit alles binnen 15 dagen. Hierbij doen zich
twee problemen voor: de tijd en de interafhankelijkheid.
Doordat
het besluit tot uitzending in eerste instantie in Brussel wordt genomen
door de Raad –die op dagelijkse basis wordt vervangen door de
ambassadeurs in het Politiek en Veiligheids Comité - rest er nog weinig
tijd voor de nationale parlementen om hun invloed aan te wenden. Deze
Europeanisering van het nationale veiligheidsbeleid -
‘Brusselsisation’- heeft als gevolgd dat nationale parlementen een
minder goed overzicht hebben en dus minder kunnen controleren.
Verschillende landen zijn gewend om experts uit te nodigen in het
parlement, stevige discussies te hebben binnen en buiten het parlement
en dan een gewogen oordeel te geven over een missie. Dit zal met de
Battlegroups lastiger worden, omdat deze binnen 15 dagen ter velde
moeten zijn.
Daarnaast zijn de Battlegroups vaak multinationaal
van samenstelling en dus interafhankelijk van elkaar bij uitzending.
Nederland vormt bijvoorbeeld een Battlegroup met het Verenigd
Koninkrijk die een half jaar paraat zal staan in 2010. Het is duidelijk
dat het Nederlandse parlement een grotere invloed heeft op het besluit
tot uitzending dan het Britse. Mocht het Nederlandse haar materiële
veto uitspreken dan zal er een enorme druk ontstaan van de
Battlegroup-partner, in dit geval het Verenigd Koninkrijk en ook alle
andere landen die reeds met het besluit tot uitzenden in Brussel hebben
ingestemd. Het is nog afwachten hoe zich dit gaat ontwikkelen, maar de
‘Brusselisering’ en de interafhankelijkheid zijn zeker uitdagingen voor
de democratische legitimiteit van de Battlegroups en het EVDB.
Conclusie
De
intergouvernementalistische claim dat het EVDB en de EVBD-missies per
definitie legitiem zijn, omdat deze genomen worden door regeringen, is
mijns inziens niet afdoende. Parlementen zijn naar mijn mening de
centrale plek voor de verwerving van democratische legitimiteit. Het
EVBD heeft echter te kampen met een ‘dubbel democratisch tekort’, omdat
zowel de nationale parlementen als het Europees parlement niet in staat
zijn om het EVDB afdoende te controleren. Alhoewel er wel
ontwikkelingen gaande zijn binnen het parlement om het parlement meer
invloed te geven op de besluitvorming voor het starten van civiele en
militaire missies. Maar de zwakke positie van de nationale parlementen
en de ‘Brusselisering’ maakt dat de input legitimiteit van de nationale
parlementen laag is. In termen van Wagner heeft het EVDB dus een gebrek
aan ‘intergouvernementele input legitimiteit’. Daarnaast heeft het
Europees Parlement, behoudens de mogelijkheid van informatieverwerving,
zeer weinig bevoegdheden en is dus ook de ‘supranationale input
legitimiteit’ van het EVDB laag. Daarom zouden we kunnen spreken van
een ‘dubbel democratisch tekort’.
Voorlopig heeft de malaise van
de publieke opinie over de EU het EVDB nog niet bereikt. Maar als er
straks wellicht meerdere Battlegroups per jaar naar gevaarlijke
gebieden gaan, zou dat wel eens kunnen veranderen. De Europese
bevolking is volgens opiniepeilingen voor meer samenwerking op
defensieterrein binnen Europa, maar het valt te bezien wat er gebeurt
als de output legitimiteit – bodybags die terugkomen van een
EVDB-missie - omlaag gaat. Enkel output legitimiteit is niet voldoende
voor het EVDB. Het is belangrijk dat er een breder draagvlak wordt
gecreëerd voor het EVDB en dat daarom de gekozen
volksvertegenwoordigers op nationaal en Europees niveau een grotere rol
van betekenis zouden moeten spelen binnen het EVDB.
Samenvatting van de doctoraal scriptie: "The EU
battlegroups and democratic legitimacy : the consequences of the
multinational composition of the EU Battlegroups for the democratic
legitimacy of national decision making procedures". Klik hier voor de volledige tekst.
Mail Douwe Buzeman
|
|
|
|
|