Columns Jan Willem Sap
11 april 2008

Afschaffing pijlerstructuur door Verdrag van Lissabon vereist tweederde meerderheid in parlement

Het Verdrag van Lissabon zal belangrijke veranderingen brengen op het punt van de structuur van de Europese Unie. De huidige structuur van de Unie is sinds 1993 nogal versplinterd; een tempel met als grondslag de supranationale Europese Gemeenschappen (Europese Gemeenschap en Europese Gemeenschap voor Atoomenergie), ook wel genoemd de eerste pijler, en daaroverheen gebouwd de samenwerkingsvormen voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (tweede pijler) en de samenwerking op het terrein van politie en justitie in strafzaken (derde pijler). De tweede en derde pijler hebben een meer intergouvernementeel karakter, waardoor de soevereine lidstaten makkelijker kunnen terugvallen op het vetorecht. Iedere pijler heeft zijn eigen procedureregels. Het pijlergebouw heeft als gevolg dat de Europese Unie formeel geen rechtspersoonlijkheid heeft.

Door het Verdrag van Lissabon zal deze pijlerstructuur behoorlijk onderuit gaan. De huidige sinds 1958 bestaande Europese Gemeenschap en de huidige sinds 1993 bestaande Europese Unie zullen worden opgeheven en worden vervangen door een nieuwe Europese Unie. Als het Verdrag van Lissabon in werking is getreden zal de Europese een zogenaamde eenvormige structuur krijgen en een in hoofdzaak zelfde institutioneel kader en besluitvormingsregime. Ook zal de Europese Unie expliciet rechtspersoonlijkheid krijgen. De Europese Raad, nu slechts vermeld in art. 4 EU, kortom in het dak van de eerder genoemde tempel, wordt een echte instelling en komt in de nieuwe institutionele structuur met stip binnen op plaats twee in art. 13 EU-Verdrag Nieuw, boven de supranationale Europese Commissie. Dat is even slikken voor Barrosso. Deze statusvergroting van de Europese Raad (de toekomstige regering van de EU?), wordt onderstreept met het vaste voorzitterschap (Tony Blair?) en de bevoegdheid om formele besluiten te nemen. Bezien vanuit rechtsstatelijke beginselen is belangrijk dat het Hof van Justitie vrijwel volledige rechtsmacht in de derde pijler krijgt. De intergouvernementele wijze van werken op het terrein van buitenlands en veiligheidsbeleid blijft wel bestaan.

Door het Verdrag van Lissabon zal vaststaan dat de Europese Unie een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid is. Interne grenscontroles behoren tot het verleden en er is een gemeenschappelijk beleid ten aanzien van externe controles, asiel en immigratie. Tevens wordt meer samengewerkt in civiele zaken. Door justitiële en politiële samenwerking, onderlinge erkenning van strafvonnissen en harmonisatie van wetgeving komt er een hoog niveau van veiligheid. De weg staat open voor minimumharmonisatie van delictsomschrijvingen en sancties en de oprichting van een Europees openbaar ministerie.

Eurojust en Europol worden volledig deel van de Uniestructuur. Op zich is dit allemaal begrijpelijk en verdedigbaar. Als je zo’n vijftig jaar bezig bent economieën samen te smelten heeft dat uiteraard consequenties voor justitie. Het lijkt beter om dat op een transparante en Uniebrede wijze aan te pakken, dan op verbrokkelde wijze. Maar het is naar burgers ook eerlijk om open toe te geven dat er op het gebied van justitie soevereiniteit wordt gepoold naar het hogere niveau van de Europese Unie. Zo kan het van betekenis worden wanneer Nederlandse burgers kunnen worden berecht door niet-Nederlandse rechters. Het overgaan van bevoegdheden van intergouvernementele verbanden naar een supranationaal verband betekent in ieder geval een zwaardere verantwoordelijkheid voor regering en Staten-Generaal. Het is geen toeval dat juist op het gevoelige terrein van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht onder het Verdrag van Lissabon bijzondere posities bestaan voor het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken. Omdat de Europese Unie geen federatie is maar een statenverbond, is bij de ratificatie van het Verdrag van Lissabon verhoogde waakzaamheid vereist van de zijde van het Nederlandse parlement.

Gelukkig is juist voor de ratificatie van een verdrag als het Verdrag van Lissabon ooit art. 91, lid 3 van de Grondwet opgenomen in de Nederlandse Grondwet, dat de bepaling bevat dat voor zover verdragen afwijken van de Grondwet, in beide Kamers een tweederde meerderheid noodzakelijk is voor de goedkeuringswet. Durven regering en parlement zich waarlijk constitutioneel op te stellen, zoals het hoort? Zal dan straks een gewone meerderheid kunnen uitmaken of wel of niet sprake is van strijd met de Nederlandse Grondwet, en of met andere woorden de eis van tweederde meerderheid zal gelden? Respect voor de Grondwet is toch wel het minste wat burgers van een wetgever mogen verwachten. Als het parlement kiest voor goedkeuring van het Verdrag van Lissabon met tweederde meerderheid, is dat een mooie middenweg tussen referendum en ratificatie bij gewone meerderheid. Met tweederde meerderheid het Verdrag van Lissabon goedkeuren levert een concrete bijdrage aan het noodzakelijke herstel van vertrouwen van de burgers in politiek Den Haag na het wegstemmen van de Europese Grondwet.
 

  
12 Juli 2007
Het Nationaal Historisch Museum hoort in Den Haag

Het Nationaal Historisch Museum naar Arnhem, is dat een goed voorstel? Gezien de relaties met de vaderlandse canon en de beginselen van de democratische rechtsstaat ligt het meer voor de hand dat het museum in Den Haag komt.

Minister Plasterk (OCW) stelt voor om het Nationaal Historisch Museum te vestigen in Arnhem, omdat die gemeente het sterkste plan zou hebben gepresenteerd. Naast de bekende financiële argumenten speelde ook mee het belang van regionale spreiding van kunst en cultuur. Minister Plasterk uitte de hoop dat mensen die het Openluchtmuseum in Arnhem bezoeken daarna naar het Nationaal Historisch Museum gaan. Arnhem zou de beste plek zijn om die jongeren te bereiken die normaal niet naar musea gaan.

Zijn de argumenten van Minister Plasterk voldoende steekhoudend voor de Tweede Kamer om steden als Amsterdam en Den Haag af te troeven? Bezien vanuit Brussel, de hoofdstad van de Europese Unie, is de keuze voor Arnhem dermate onhandig, dat er meer aan de hand moet zijn. Door plaatsing in Den Haag of Amsterdam zou het museum immers goed bereikbaar zijn geweest via supersnelle treinen als de HSL-Zuid. De Amsterdamse wethouder Gehrels (PvdA) vermoedt dan ook dat de keuze voor Arnhem in werkelijkheid is gemaakt op partijpolitieke  gronden. De PvdA zou eigenlijk voor Amsterdam zijn, het CDA was meer voor Den Haag. Omdat het kabinet er niet uitkwam, is als compromis de keuze dan maar op Arnhem gevallen.

Plakkaat van Verlatinge

Een dergelijk compromis is te betreuren, ook voor de Minister zelf. Amsterdam is het Nederlandse cultuurcentrum, al eeuwen de stad van de grote schilder Rembrandt, en men kan zich inderdaad voorstellen dat het aan het Museumplein wat te druk gaat worden met nog weer een extra museum. Den Haag heeft, objectief beschouwd, de sterkste papieren, mede gezien de relatie tussen het Nationaal Historisch Museum en de beginselen van de democratische rechtsstaat. Wie een bezoekt brengt aan Den Haag, wordt immers altijd getroffen door de rijke historische context. Hier is op 26 juli 1581 het Plakkaat van Verlatinge (1581) afgekondigd, de afzwering van Filips II, de staatkundige grondslag van de Nederlandse staat. In Den Haag hebben de politiek belangrijke gebeurtenissen plaatsgevonden, de onthoofding van Van Oldebarnevelt, de landing van de latere koning Willem I op het strand van Scheveningen en de strijd voor de zeggenschap van het parlement onder leiding van Thorbecke. Hier is onze politieke en constitutionele basisstructuur tot stand gekomen.

Alleen in Den Haag is de geschiedenis ook op zo’n bijzondere wijze verbonden met de actualiteit. Zo woont en werkt ‘Oranje’ in Den Haag en staan overal ministeries. Op het Binnenhof vergaderen iedere werkdag de leden van de rechtstreeks gekozen Tweede Kamer. In Den Haag zijn fraaie wandelingen te maken langs beroemde plekken en woonhuizen van mensen die zich hebben ingezet voor de beginselen van de democratische rechtsstaat. Juist het gegeven dat deze strijd nog dagelijks plaatsvindt, zou voor het Nederlandse parlement een reden moeten zijn om het Nationaal Historisch Museum in Den Haag te vestigen. Politici klagen vaak over de kloof tussen de burgers en politieke instellingen. Met het Nationaal Historisch Museum in Den Haag zou een stevige brug worden gelegd tussen de burgers en de politieke instellingen, en zal bij goede tentoonstellingen de belangstelling voor de politiek bij de burger kunnen toenemen (kiesrecht, emancipatie). Op die manier zou Nederland dubbel profijt kunnen hebben van de investeringen, de vele miljoenen aan belastinggeld die nodig zijn om het museum op te starten. Zo kan ook in de Tweede Kamer een blijvend draagvlak worden geschapen om het Nationaal Historisch Museum ook voor de langere termijn in stand te houden.

Hopelijk biedt het komende reces de leden van de Tweede Kamer tijd voor reflectie. In de Europese Unie behoort een Nationaal Historisch Museum goed bereikbaar te zijn met een snelle trein, ook vanuit Brussel, Parijs en Londen. Het ligt niet voor de hand om zo’n belangrijk museum, dat ook uitdrukking moet geven aan de vaderlandse canon en de nationale identiteit van Nederland, in de regio neer te zetten, waar het na een aantal jaren door gebrek aan contact met de geschiedenis en de actualiteit zal verpieteren en op den duur waarschijnlijk zal worden wegbezuinigd.

Voor de voorgeschiedenis van het Nationaal Historisch Museum, andere reacties op het besluit en de huidige stand van zaken, klik hier voor de tijdelijke website over het Nationaal Historisch Museum.

Mail Jan Willem Sap

 

  
18 juni 2007
Nederland als koploper in de Euro-Atlantische zone

Ooit heeft Jean Monnet de Europese Gemeenschappen omschreven als een ‘bondsstaat met specifiek eigen trekken’. Hoewel het waar is dat de Europese Unie door federale samenwerking steeds meer statelijke trekken krijgt, is het nu onjuist om te Europese Unie te beschouwen als een bondsstaat. Misschien was een federatie met de oorspronkelijke zes oprichters, mogelijk met twaalf (of hooguit vijftien), realiseerbaar geweest. Met het steeds maar blijven uitbreiden is de federale droom vager geworden. Verdere Europese eenwording lijkt te botsen met nationale politici die de eigen natiestaat overeind willen houden. Dat politieke plafond speelt niet alleen voor politici in het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, maar ook in Nederland. Dat gaat het primair om overheidsbeleid en sociaal-economische zekerheden. De ironie is dat de tekst van de Europese Grondwet zelf juist handvatten aanreikt om deze angst van politici en burgers weg te nemen. Zo maakt de Europese Grondwet een recht op uittreding mogelijk (art. I-60), terwijl die mogelijkheid onder de geldende verdragen niet bestaat. En in art. I-5 van de Europese Grondwet staat dat de Unie de gelijkheid van de lidstaten voor de Grondwet alsmede hun ‘nationale identiteit’ eerbiedigt, die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren.

Als het gaat om de mogelijke toekomst van de Europese Unie is duidelijk dat met de voortgaande uitbreidingen een Europese bondsstaat met een stuk of twaalf landen een gepasseerd station is. Of men dat betreurt of toejuicht, zo’n eerste variant is hooguit mogelijk in een Europa van meerdere snelheden, hetgeen als onwenselijk kan worden beschouwd. We leven nu in de tweede variant van een zich almaar uitbreidende Europese Unie inclusief Midden-en Oosteuropa. Er komen ook na 2004 snel meer landen aan boord, op termijn ook grote landen als Turkije en Rusland. Als alle Europese landen meedoen met de Europese Unie praten we over een club van zo’n 800 miljoen inwoners. Het probleem met deze uitbreidende Europese Unie is echter dat een gemeenschappelijke visie ontbreekt als het gaat om de politieke toekomst van een supergrote Unie, ook al is het werken daarnaar een opdracht voor iedereen die betrokken is bij de strijd voor een democratisch Europa. Dat de beslissingen worden genomen in een veraf gelegen steden, Brussel, Straatsburg en Luxemburg in plaats van Moskou, spreekt in Midden- en Oosteuropa na de herleving van het zelfbeschikkingsrecht van de volken weinig tot de verbeelding.

Een derde variant, die nogal eens over het hoofd wordt gezien, is de Euro-Atlantische zone. Waar het in deze zone om gaat is de instandhouding van de westerse cultuur en overeenstemming over de beginselen van de democratische rechtsstaat (geestelijke vrijheid, gelijkheid van man en vrouw). Onze cultuur en rechtsstaat zijn belangrijk genoeg om samen te verdedigen, zeker tegenover het fundamentalistische terrorisme dat moeilijk is uit te roeien. Boven dit cultuurgebied geldt het geweldsmonopolie van de NAVO. Amerika lijkt soms ver weg, maar in een tijd van internet en vliegtuigen tellen puur geografische factoren als de Atlantische oceaan minder zwaarwegend dan vroeger. New York per vliegtuig is bij wijze van spreken dichterbij dan Bordeaux per auto. Veel jongeren in Europa spreken Engels en weten, mede door films, televisie, internet en popmuziek, meer van Amerika dan van de meer nabij gelegen Europese buurlanden. Reeds sinds de strijd van de Amerikaanse President Ronald Reagan tegen de voormalige de Sovjetunie geven veel voorheen onderdrukte burgers in Midden-en Oosteuropa blijk van meer vertrouwen in Washington dan in de burgers van Westeuropa, die in het Oosten nog altijd de reputatie hebben van ‘liever rood dan dood’. Het belang van samenwerking in deze zone lijkt alleen maar urgenter te zijn geworden nu er meningsverschillen zijn over de wijze van ingrijpen in Irak.

Zowel door het wereldwijde terrorisme als door de sterke opkomst van landen als China en India, is het begrijpelijk dat de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika steeds meer naar elkaar gaan toegroeien. De wereldvrede is ook gediend met toenadering tussen  de U.S.A. en de Europese Unie. Dan kan er ook beter een grotere verantwoordelijkheid worden genomen tegenover Afrika. Mogelijk dat Nederland in de internationale politiek een voorname rol kan spelen door het vervullen van een brugfunctie tussen de Verenigde Staten van Amerika en het continent. Er zijn oude banden. De Amerikanen weten dat hun Declaration of Independence (1776) is geïnspireerd door onze Onafhankelijkheidsverklaring (1581). Vanwege de strategische ligging van de Nederlandse Antillen, met name Curaçao, kunnen de Verenigde Staten van Amerika en Nederland ook feitelijk niet zonder elkaar. In Afghanistan werken Nederlandse en Amerikaanse militairen, als het gaat om de luchtmacht, goed samen. Het is geen toeval dat er nu een Nederlander is aangesteld als de topman van de NAVO: oud-minister van Buitenlandse Zaken Jaap de Hoop Scheffer. Bij het gesprek over het streven naar meer samenwerking in de Euro-Atlantische zone heeft Nederland een prachtige kans om de ideale koploper te worden. Laten we beginnen te streven naar het in elkaar schuiven van de dollar en de euro, de eurodollar. Dan krijgt Nederland toch nog zijn daalder terug.

Mail Jan Willem Sap