|
|
|
|
|
|
November 2008
Een tweede kans
Barack Obama wordt de nieuwe president van de VS, en daar is Europa blij mee. Waar je ook het oor te luisteren legt, overal heerst opluchting. Eindelijk verlost van het Amerika van Bush dat de moeizaam gewrochte internationale orde aan zijn laars lapte en de wereld met geweld zijn wil probeerde op te leggen. Deze Amerikaanse arrogantie heeft straks acht jaren geduurd en die jaren moeten op z´n minst als verloren worden beschouwd voor de mondiale vrede en voorspoed. Er zijn voorbeelden te over, maar het meest schrijnende beeld biedt aan de ene kant het Midden-Oosten en aan de andere kant de kredietcrisis. ‘Hoogmoed komt voor de val’ zou het motto kunnen zijn van deze tragedie en tegelijkertijd de les die de Amerikanen met hun keuze voor Barack Obama hebben getrokken. Het zelf reinigend vermogen van dit land is even opmerkelijk als de rotzooi die het voortbrengt. Hij is de man die de wonden kan helen, die gevallenen weer op de been helpt, die zijn volk door de woestijn zal leiden naar het beloofde land. Dat althans geloven zijn kiezers en, eerlijk gezegd, wie de man alleen maar ziet, gelooft dat ook. Charisma dat is het woord, of zoals een zwarte vrouw op de Amerikaanse tv riep: He is a man of God, we owe him respect. Toch dringt ook de meer praktische vraag wat deze man zal doen als hij straks president is, en vooral wat Europa van hem kan verwachten en omgekeerd hij van Europa.
Anders dan Bush zal Obama een actief multilateralisme aan de dag leggen, m.a.w. hij zal de samenwerking met andere staten zoeken en versterken, vooral in de bestaande mondiale verbanden als de VN, het IMF, de WTO en het regionale verband van de NATO. Al deze organisaties zijn door de regering Bush veronachtzaamd.als ouderwets, niet daadkrachtig en vooral niet direct door de VS gedomineerd. Obama zal de talrijke onderhandeling in deze verbanden weer vlot trekken, en dat is precies wat Europa, en dus de regeringen van de EU-staten zeiden te willen tijdens hun overleg te Marseille op 4 nov.jl.. De geopolitieke effecten daarvan kunnen groot zijn, en opnieuw is het Midden-Oosten met aanpalende gebieden van het meeste belang. Overal zullen onderhandelingen van start gaan: tussen Israël en de Palestijnen, tussen de VS en Iran, tussen de VS en de partijen in Irak, tussen de NATO en de Taliban in Afghanistan en Pakistan. En al dit diplomatieke overleg zal worden verbonden aan de VN en zijn Veiligheidsraad die over al deze zaken het laatste woord heeft. Daarmee zal ook het sterk toegenomen verzet van Rusland - en ook van China - tegen Amerikaanse bemoeienis in hun regio verminderen met een positief effect voor de gebieden zelf, in de Kaukasus en in Tibet. Deze verschuiving in de Amerikaanse politiek van ‘dominantie’ naar ‘wederkerigheid’ in interstatelijk verband betekent ook dat de EU en de afzonderlijke EU-staten weer meer partij zullen worden. Het grote gevaar is echter dat dit overleg al snel het manco gaat vertonen dat de regering Bush het excuus gaf om voor zichzelf te beginnen: gebrek aan daadkracht omdat niemand echt de baas is. Van deze besluiteloosheid weet Europa alles af. De EU wordt er doorgekenmerkt. Slechts twee keer werd de verlamming doorbroken, bij het besluit tot de vorming van de gemeenschappelijke markt (1986) en tot de vorming van een gemeenschappelijke munt (1993). Verder heerst verdeeldheid vooral op geopolitiek gebied en met de oorlog in Irak als een pijnlijk voorbeeld. De huidige Franse president Sarkozy doet er in de halfjaarlijkse functie van voorzitter van de Europese Raad alles aan om de Europese daadkracht te herstellen en in adembenemend tempo organiseert hij allerlei vormen van internationaal overleg. Anders dan zijn voorgangers is het Franse belang daarbij minder storend aanwezig. Zo zal hij, is de verwachting, Frankrijk binnenkort weer volledig lid maken van de NATO zodat het Franse leger deel gaat uitmaken van een hiërarchie die van oudsher door de VS wordt gedomineerd. Dat geeft hoop op een coöperatieve houding meer in het algemeen. Toch is enige scepsis geboden, en niet alleen als het om Frankrijk gaat. Er is nog steeds geen Europees leger, en geen leger betekent ook geen gemeenschappelijke buitenlandse politiek. Daarmee is en blijft Europa aangewezen op de VS en blijft het in gebreke als Obama op zijn beurt om effectieve steun vraagt. Maar misschien is dit te pessimistisch en zal, als het Verdrag van Lissabon alsnog in werking treedt, een echte Europese president – en dus niet die van Frankrijk – een betrouwbare partner worden voor de nieuwe Amerikaanse president. Een testcase biedt de Veiligheidsraad waarvan Frankrijk al of niet samen met Engeland zijn zetel zou moeten afstaan aan de EU, terwijl de Raad verder op regionale leest zou moeten worden herschoeid en het daar heersend vetorecht ingeperkt zou moeten worden. Een mooie voorbeeld van geopolitieke ´change´ en dus een uitdaging voor Obama, wellicht met Sarkozy samen
Economisch gezien zijn de verhoudingen tussen de VS en Europa anders. Ze zijn op vier niveau’s gelijkwaardig: een markt, min of meer hetzelfde totale binnenlandse product, een munt en, zoals bleek, een pijnlijk tekort aan centrale controle op wat er met die munt gebeurt. Ook hier ligt een uitdaging voor Obama en voor een Europese president – wie dat ook mag zijn -. Ze kunnen het mondiale IMF omsmeden tot een mondiale centrale bank, de WCB, en in dat verband allerlei vormen van controle en krediet organiseren waaraan alle verbonden staten zich binnen zekere marges hebben te houden. Wellicht ligt het meer voor de hand dat de VS en de EU eerst zelf hun zaken op orde brengen, maar de eenvoud daarvan is schijn, om drie redenen. Onderlinge concurrentie tussen de twee economische grootmachten zal een goede controle blokkeren en bovendien is het de vraag of de staten van de EU bereid en in staat zijn om op eigen kracht de Europese Centrale Bank de nieuwe bevoegdheden te geven die kennelijk noodzakelijk zijn. Ook al was vertoonde eenheid in zake de kredietcrisis opmerkelijk, het kon de feitelijke verdeeldheid van nationale financiële injecties niet verhullen. Het gevolg was dat de betrokken staten deze keer niet zoals met de winstbelasting in een ‘race to the bottom’, maar in een ‘race to the top’ verstrikt raakten. Wat dat betreft is het te hopen dat Obama het mondiale karakter van het probleem zo sterk beseft dat hij niet alleen zijn eigen land, maar ook de EU, over de coöperatieve drempel heentrekt.
Al met al lijken deze mogelijke ontwikkelingen op de mondiale orde die na de Tweede Wereldoorlog werd beoogd en in sterk afgezwakte vorm tot stand kwam. Het breekpunt was toen en is nu de nationale soevereiniteit die staten niet willen afstaan en overdragen aan een nieuw te vormen supranationaal gezag. Dat lukte toen niet met alle erosiegevolgen van de wereldorde zelf. Nu krijgt de wereld een tweede kans, opnieuw onder de welwillende leiding van de VS in nauwe samenwerking met Europa.
|
|
|
|
|
Sociaal Europa
Het
Ierse nee tegen het verdrag van Lissabon maakt opnieuw duidelijk wat
inmiddels iedereen kan weten: een belangrijk deel van de Europese
kiezers heeft geen vertrouwen in het Europese project . Het gaat
meestal om mensen met een lagere opleiding en een lager inkomen, wier
blikveld doorgaans het nationale niet te boven gaat. Ze zijn dus
conservatief in zaken als overdracht van nationale autonomie en stemmen
tegen verdragen waar deze overdracht aan de orde is. Ze willen juist
baas in eigen huis blijven uit angst anders nationale verworvenheden
kwijt te raken. Kortom, zij wensen in hun gemoedsrust van een nationale
verzorgingsstaat niet te worden gestoord.
Deze
wens is begrijpelijk maar kortzichtig. Feit is immers dat hun land deel
uitmaakt van de ‘vrije’ Europese markt en dat op die markt niet alleen
bedrijven maar ook staten met elkaar concurreren. Een belangrijk
voorbeeld bieden de belastingen. Aangezien staten hun nationale
bedrijvigheid niet meer middels de klassieke middelen van in- en
uitvoerheffingen kunnen beschermen, kijken ze uit naar andere middelen.
Zo’n middel is de belastingdruk die wordt verminderd om de druk op de
bedrijven te verlichten en daarmee hun concurrentiepositie te
versterken. Dit beleid is echter gedoemd te mislukken, aangezien het
wederzijds gebeurt en staten zodoende elkaar in een neerwaartse
spiraalbeweging gevangen houden. Maar helaas, ook al is deze
belastingverlaging zelf niet effectief, de verlaging van de inkomsten
is er niet minder om, zodat het achterstallig onderhoud van de
nationale verzorgingsstaat steeds groter wordt.
Waarschijnlijk
hebben veel mensen enig besef van deze samenhang zonder de
consequenties te overzien. Derhalve zijn zij tegen die
belastingverlaging die als van buitenaf wordt opgelegd, en zijn zij
meer in het algemeen tegen een verdergaande intergratie. Halve kennis
kan echter gevaarlijk zijn, en zeker hier. Stoppen van de integratie
biedt geen oplossing. Integendeel, het handhaaft de huidige
patstelling. De enige effectieve oplossing is juist meer integratie:
een soort van Europese belasting die aan die Europese
belastingconcurrentie een einde maakt, net zoals de euro dat heeft
gedaan met de monetaire concurrentie – devaluaties van nationale munten
- . Deze oplossing is een paradox. Wie nationale verworvenheden wil
beschermen, moet ze op supranationaal, Europees niveau tillen. Het
enige alternatief is uit de EU stappen en opnieuw nationale in- en
uitvoerheffingen invoeren, maar dat gaat zelfs de meeste tegenstemmers
te ver.
Hoe
juist de hier gegeven analyse ook mag zijn, vraag blijft hoe een
belangrijk deel van de Europese kiezers daarvan te overtuigen. Een
eerste opmerking is dat het nooit op deze manier is geprobeerd.
Nationale politici doorzien de samenhang zelf niet of zijn te benauwd
om eerlijk te herkennen dat Europa middels de belastingconcurrentie de
nationale verzorgingsstaat verzwakt. Dat moet dus anders. Europa moet
niet langer een bedreiging vormen, maar de zekerheid bieden van een
Europese verzorgingsstaat. Dat perspectief zou het oordeel van een
belangrijk deel van de kiezers kunnen keren. Er zijn veel bezwaren in
te brengen tegen een Europese verzorgingsstaat. Maar het is niet
anders. Europa zal sociaal zijn, en dus een soort van Europese
belasting hebben, of het zal niet zijn, om Jan Marijnissen van de SP te
citeren die echter over een Europese belasting zwijgt, net zoals de
socialisten van de PvdA. Dat is socialisten met hun internationale
traditie onwaardig. Leg uit hoe het zit, en verenigt u voor een sociaal
Europa!
|
|
|
|
|
|
15 oktober 2007
De noodzaak van het referendum
Zo veel is inmiddels duidelijk, niet alleen het kabinet is tegen een nieuw Europees referendum, maar ook de partijen die het kabinet steunen als mede prominente opinievormers onder wie NRC Handelsblad. In het redactionele commentaar van 19/09/07 stelt deze krant zich achter het besluit van het kabinet, maar de argumentatie van beide loopt uiteen. Terwijl het kabinet zich in navolging van de Raad van State beroept op het simpele feite dat het nieuwe verdrag geen grondwettelijk karakter draagt, acht de hoofdredactie deze redenering ‘te simpel’. ‘Het wezen van het verdrag … blijft.’ En zo is het. Maar of het belangrijkste argument van deze krant veel beter is? Een nieuw referendum zou een keuze suggereren die er niet is. ‘Een tweede nee wordt onuitvoerbaar’, zegt het commentaar. Dat is een vreemde opmerking. Het is misschien even wennen, maar niets hoeft ons land er van te weerhouden om net als het Verenigd Koninkrijk allerlei uitzonderingen te bedingen of om - nog een stap verder - als Zwitserland en Noorwegen buiten de EU te staan en tegelijkertijd middels een apart verdrag in de vrije markt te participeren. Deze consequentie van een tweede nee is vergaand - en onwenselijk wat mij betreft -, maar onuitvoerbaar? Nee. Dus herbergt een nieuw referendum wel degelijk een keuze: wil Nederland volledig mee blijven doen met EU-verdragen, of niet? Centraal in deze afweging staat de nationale autonomie met het duivelse dilemma waarin elke statencoöperatie verkeert. Wie die coöperatie wil versterken, moet iets van die autonomie overdragen en verzwakt aldus de eigen staat. En omgekeerd, wie zijn eigen staat sterk wil houden, houdt de statencoöperatie zwak. Hier ligt het criterium waar alles omdraait en dat naar zijn aard grondwettelijke consequenties heeft– ook als het niet met zoveel woorden wordt gezegd - . Daarom rechtvaardigt het de inzet òf van de procedure die een wijziging van de nationale grondwet vereist òf een nieuw democratisch middel: het referendum.
Volgens deze redenering hadden Europese verdragen van meet af aan als een wijziging van de nationale grondwet moeten worden opgevat. Daarin is immers al op verschillende terreinen autonomie overgedragen en afgestaan. Het begon met de markt zelf, inclusief het toezicht op ‘fair play’ en de externe handelspolitiek, die volgens de inmiddels veroordeelde ambtelijk-technocratische methode en dus zonder publiek debat van enige omvang werden ingevoerd. Toen volgde de euro volgens hetzelfde procédé. De meest betrokken politici en ambtenaren wisten dat opnieuw een stuk van de nationale autonomie werd opgeheven, maar uit angst voor tegenstemmen schonden zij niet formeel maar wel in feite de democratie. Dat besef brak pas later door, waarna het verontruste parlement een referendum afdwong over het grondwettelijk verdrag waarin opnieuw werd voorgesteld om op bepaalde terreinen nationale autonomie over te dragen. Niet de vlag, het volkslied of andere versierselen maar die overdracht van autonomie vormde de harde kern van dit verdrag. Nu ligt een ander verdrag ter tafel dat volgens het redactionele commentaar niet wezenlijk verschilt. En zo is het. Het voorstel om opnieuw autonomie over te dragen wordt herhaald, zodat hier het enige juiste argument ligt om tegen een nieuw referendum te zijn. Nederland heeft immers al een keer nee gezegd. Maar dat is niet wat de regering en wat deze krant wil. Zij willen kennelijk die overdracht, in weerwil van dit nee, en plegen daarmee kiezers- dan wel lezersbedrog.
Beter ware het om de bevolking vriendelijk te vragen om de voor- en nadelen van de Europese integratie nog eens opnieuw te willen overwegen. De eerste keer ging er veel mis. Het grondwettelijk verdrag vormde een vat vol tegenstrijdigheden, zodat onduidelijk was waar het referendum over ging. Dat kan bij de tweede ronde beter indien zonder omwegen de vraag wordt gesteld: bent u voor overdracht van soevereiniteit op de beleidsterreinen die in het nieuwe verdrag worden genoemd, of niet. Deze vraag moet vervolgens elke keer worden gesteld als de nationale autonomie in het geding is. Dat is de enige manier om het grondwettelijke karakter ervan recht te doen. Nu gaat het om de Europese statencoöperatie en dat zal de komende decennia steeds weer het geval zijn. Bovendien zal vroeg of laat hetzelfde type vragen zich voordoen in het verband van andere statencoöperaties, zoals de NAVO, de WTO of de VN. Het is zaak om in deze transnationale wereld vertrouwd te raken met dit type vragen en met het middel dat, als de grondwetprocedure niet wordt toegepast, het enige legitieme antwoord produceert : het nationale referendum over overdracht van autonomie aan supranationale statencoöperaties. Als dat niet gebeurt en de politieke elite blijft kiezen voor de winst van de korte termijn, dan zal de Europese kloof tussen burgers en politici verder groeien en na kortere of langere tijd opnieuw voor een politieke explosie zorgen waarbij Europa als zondebok wordt geofferd.
|
|
|
|
|
4 juni 2007
Kleinstaterei
'Kleinstaterei', het Duitse woord slaat oorspronkelijk op de staatkundige verdeeldheid van dit land met zijn talrijke vorsten, koningen, prinsen, die ieder voor zich hun land en onderdanen bestuurden, maar met elkaar tot weinig bestuurlijke daadkracht in staat waren. Die Duitse verdeeldheid was het gevolg van de rampzalige Dertigjarige Oorlog die in 1648 eindigde en een kaal geslagen land achterliet. In de eeuw daarna keerde het tij en begon de welvaart weer te groeien. Politiek echter bleef het land verdeeld, ook nadat tijdens de bezetting door Napoleon omstreeks 1800, een reeks kleinere staten waren opgeheven. De bestuurlijke zwakte die hiervan het gevolg was, ergerde vooral de handeldrijvende en neringdoende burgerij die ijverde voor een gemeenschappelijke Duitse markt waardoor de veelheid van locale en regionale hindernissen uit de weg zouden worden geruimd. Het proces van marktintegratie kwam van de grond als de Duitse Zollverein dat een burgerlijk overwinning leek te worden op de adellijke ‘Kleinstaterei’. Helaas, het pakte anders uit. Het burgerlijk initiatief verloor aan tempo en uiteindelijk werd behalve de economische ook de politieke eenheid militair afgedwongen door het land dat inmiddels de grootste en sterkste van alle was geworden, Pruisen. De koning van dit land werd in 1870 keizer van Duitsland, dat vervolgens een plek op het wereldtoneel opeiste, overeenkomstig zijn status en macht, en ten koste van de gearriveerde grootmachten, Engeland, Frankrijk en ook Rusland. Het land leek een gouden toekomst tegemoet te gaan. Maar dat pakte anders uit. Het militaire avontuur leidde tot twee wereldoorlogen die het land opnieuw kaalgeslagen achterlieten. En er was meer. Door de burgerlijke nederlaag en het adellijke succes, althans van Pruisen, werd de burgerlijke cultuur van ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ die ook in Duitsland sterke aanhang had verworven, geknakt. Geen woorden, maar daden, werd het parool. Het ideaal werd de heldhaftige krijger die het oude vaderland weer verenigd had en van vreemde smetten zou gaan bevrijden. Totdat die krijger werd verslagen en verweesde burgers achterliet onder de hoede van de overwinnaars, de USSR en de VS die het land in tweeën deelden. Na een halve eeuw bezweek het communistische rijk in de onderlinge concurrentiestrijd en werd Duitsland herenigd door een visionaire Helmut Kohl, met steun van de VS, maar tegen de zin in van de buurlanden, en zonder dat er een schot werd gelost. Na eeuwen van ellende was deze hereniging een burgerlijke zege, voor Duitsland en voor Europa in zijn geheel dat zich als de Europese Unie vormeerde. Onder welwillende druk van de VS was deze Europese samenwerking al snel na de Tweede Wereldoorlog van start gegaan. Na de hereniging van Duitsland won het verbond verrassend aan tempo vooral doordat dit land zijn mark als euro ter beschikking stelde voor algemeen gebruik. De EU werd een Europese Zollverein, met dit verschil dat het niet door een militair regime werd afgedwongen en geïncorporeerd. Wie echter denkt dat met deze Unie aan de Europese ‘Kleinstaterei’ een einde gekomen, vergist zich. De onderlinge verdeeldheid die de Duitse Zollverein verlamde, verzwakt ook de daadkracht van de Unie. Steeds weer weigeren lidstaten de Unie bevoegd te verklaren om grote gemeenschappelijke problemen aan te pakken. Schrijnend is bovendien het gebrek aan politieke moed bij de politieke elite om het besef van die noodzaak uit te dragen en over te dragen. Steeds loert het gevaar dat centrifugale krachten van nationalisme en deelbelangen de centripetale krachten blokkeren, totdat het te laat is en een autoritaire ingreep door een derde partij of de realiteit van een economische, medische of natuurlijke catastrofe alsnog de eenheid afdwingt. Dit gebrek aan moed is inmiddels een Nederlandse ziekte is geworden, en die moet worden bestreden.
Mail Paul Kapteyn
|
|
|
|
|